Een samenleving gevormd door de forten
Europese mannen kwamen zonder Europese vrouwen naar de Goudkust. Compagniedienst was voor wie het overleefde een plaatsing van enkele jaren, en de sterfte was afschuwelijk. Onder die omstandigheden waren verhoudingen tussen Nederlandse ambtenaren en handelaren en plaatselijke Akan-vrouwen niet uitzonderlijk maar gewoon, en over generaties heen brachten zij een eigen Euro-Afrikaanse bevolking voort, geconcentreerd in de plaatsen naast de forten en vooral in Elmina.
Deze families droegen Nederlandse achternamen — Vroom, Bartels, Nieser, Ulzen en vele andere — spraken Fante en vaak Nederlands, en waren in de volste zin van het woord van de kust. Zij vormden geen Europese enclave en evenmin eenvoudigweg een Afrikaanse gemeenschap. Zij waren degenen die de ontmoeting tussen beide mogelijk maakten.
Wat zij feitelijk deden
Hun taken waren onmisbaar en in de formele overlevering van verdragen en rapporten grotendeels onzichtbaar.
- Bemiddeling. De binnenlandse handel werd gedreven door Asante- en andere Afrikaanse kooplieden, die zaken deden met iemand die zij kenden en vertrouwden. Euro-Afrikaanse tussenpersonen waren die iemand.
- Vertolking. Onderhandelingen met Kumasi en met kuststaten liepen via tolken wier uitleg van één zinsnede een overeenkomst kon bepalen.
- Eigen handel. Naarmate het compagniemonopolie verzwakte, handelden Euro-Afrikaanse kooplieden voor eigen rekening, sommigen op aanzienlijke schaal, met eigen schepen, pakhuizen en kredietnetwerken.
- Bestuur. Zij dienden als klerk, boekhouder en garnizoensofficier en, in de latere periode, in hoge functies binnen de koloniale dienst.
- Plaatselijk aanzien. Via de afstamming van hun moeders bekleedden zij posities in de eigen instellingen van Elmina, waaronder de asafo-compagnieën en krukken.
Onderwijs en de Nederlandse band
Elmina had aan de vestiging verbonden onderwijs in het Nederlands, en welgestelde families zonden zonen naar Nederland om daar te worden opgeleid — sommigen voor enkele jaren, anderen voor een volledige beroepsopleiding. Wie terugkeerde, kwam terug met Europese diploma's, Europese contacten en een beheersing van het Nederlands die hem buitengewoon nuttig en buitengewoon moeilijk vervangbaar maakte.
Dit was een werkelijk uitwisselingskanaal in twee richtingen, en het begon vroeg: Jacobus Capitein, als kind van de Goudkust weggevoerd en in Leiden opgeleid, is het beroemdste voorbeeld, al waren zijn omstandigheden ongewoon. Voor de meesten was Nederland een opleiding en geen bestemming; men ging erheen om beter toegerust terug te komen.
Tussen twee samenlevingen
Hun positie was tegelijk machtig en wankel. De Nederlandse vestiging was van hen afhankelijk maar beschouwde hen nooit als volledig Nederlands; hun aanzien binnen Elmina berustte op verwantschap, vermogen en ambt en niet op enig geërfd recht, en kon worden betwist. Europeanen verdachten hen er stelselmatig van Afrikaanse belangen te dienen, Afrikanen ervan Europese belangen te dienen — waarmee terecht werd vastgesteld dat zij eigen belangen hadden.
Die belangen waren commercieel en dynastiek. Euro-Afrikaanse families bouwden vermogens en netwerken op die zij wilden doorgeven, en zij stelden zich daarnaar op: nu eens als trouwe dienaren van de compagnie, dan weer als haar concurrenten, en in de politieke crises aan de kust nu eens aan de ene en dan weer aan de andere zijde.
1872 en daarna
De overdracht van Elmina aan Groot-Brittannië in 1872 trof deze wereld rechtstreeks. De Nederlandse taal, het Nederlandse onderwijs en de Nederlandse ambtelijke loopbanen hielden van de ene dag op de andere op een bezit te zijn; een Nederlandse achternaam opende geen deuren meer. Sommige families pasten zich aan, traden in Britse koloniale dienst en bleven tot ver in de twintigste eeuw vooraanstaand; leden van de familie Vroom bekleedden in het latere bestuur van de Goudkust belangrijke posities.
Andere families gingen ten onder met de band die hen had grootgemaakt. Maar de namen verdwenen niet. Van het Nederlands afgeleide achternamen komen in Elmina en langs de Ghanese kust nog altijd veel voor, en zij behoren tot de duurzaamste sporen van de Nederlandse eeuwen — duurzamer dan de meeste forten.
Waarom zij aandacht verdienen
Geschiedenissen van de Goudkust worden doorgaans geschreven als ontmoetingen tussen twee blokken: Europeanen en Afrikanen, het fort en de stad. De Euro-Afrikaanse families maken die voorstelling onhoudbaar. Zij tonen dat de Nederlandse aanwezigheid geen muur was maar een membraan, en dat de mensen die daarbinnen leefden noch gekoloniseerde onderdanen noch koloniale agenten waren, maar iets waarvoor de categorieën van die tijd nooit waren bedoeld.